|
BANDLOOPTECHNIEK
AFSTELINRICHTING VOOR BANDLOOP EN BANDVOORSPANNING
Deze afstelmogelijkheid is het meest effectief als ze op de aandrijfwals
geplaatst wordt. Als dit door plaatsing van de motor en de overbrenging
of door andere omstandigheden niet mogelijk is, kan deze aan de niet aangedreven
zijde gemonteerd worden. De aandrijving wordt zodanig uitgevoerd, dat
de draadogenbanden in het bovenpart worden getrokken en niet geduwd.
BANDONDERSTEUNING EN GELEIDING
De beste ondersteuning van een draadogenband wordt gevormd door ondersteuningprofielen
of strips die in de lengterichting van de installatie aangebracht zijn.
Als de bedrijfstemperatuur dit toelaat, kunnen deze profielen bekleed
worden met slijtmateriaal van Nylon, Delrin of "Werkstoff S"
(Greenstrip).
De onderlinge afstand tussen deze ondersteuningen bedraagt, afhankelijk
van de belading ca. 25 tot 40cm. De uiteinden van de ondersteuningen zijn
op de plaats waar de band oploopt over een lengte van 5 à 10 cm
enigszins neerwaarts gebogen zodat de band geleidelijk opgenomen wordt.
Deze ondersteuningsprofielen kunnen ook in het kerende deel van de band
geïnstalleerd worden. Hier hoeft alleen het gewicht van de band ondersteund
te worden zodat de afstand tussen de profielen groter kan zijn. Wel moeten
de ondersteuningen ter hoogte van een of meer slijtplaatrijen aangebracht
worden. Ook kunnen vrijdraaiende ondersteuningsrollen in het kerende deel
gemonteerd worden op een onderlinge afstand van ca. 1,5 tot 2,5 meter.
De band mag tussen de rollen enigszins doorhangen.
TWENTEBELT draadogenbanden kenmerken zich
door een bijzonder rechte bandloop. Afhankelijk van de bandbreedte en
lengte is een speling van 5 à 10 mm tussen het frame en de band
veelal voldoende.
Bij de constructie van het frame moet er niettemin op gelet worden dat
de band niet in aanraking kan komen met staanders of scherpe delen. Deze
kunnen worden afgeschermd d.m.v. "zoekende" geleidestukken.
De bandloop zelf moet zo eenvoudig mogelijk zijn waarbij negatieve buigingen
worden vermeden.


|